Eenmalige uitkering pensioenfonds overleden partner was loon

Eenmalige uitkering pensioenfonds overleden partner was loon

Loon is een ruim begrip en omvat alles wat iemand uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking geniet. De dienstbetrekking hoeft niet een eigen dienstbetrekking van de genieter te zijn. Voor de vraag of een uitkering loon vormt, moet er een oorzakelijk verband bestaan tussen de uitkering en de dienstbetrekking.

Een pensioenfonds sloot met de samenlevingspartner van een overleden deelnemer aan de pensioenregeling van het fonds een vaststellingsovereenkomst. Onderdeel van deze overeenkomst was de betaling van een bedrag aan de voormalige samenlevingspartner. Vanwege het ontbreken van een notarieel verleden samenlevingscontract had de samenlevingspartner geen recht op nabestaandenpensioen. Er was wel een concept samenlevingscontract opgesteld, maar de werknemer overleed voor de datum waarop de ondertekening zou plaatsvinden. Er liep een civiele procedure over een aanspraak op nabestaandenpensioen voor de samenlevingspartner. 

Volgens de rechtbank was er een causaal verband tussen de dienstbetrekking van de overleden werknemer en de uitkering als gevolg van de vaststellingsovereenkomst. Het pensioenfonds zou de vaststellingsovereenkomst niet hebben gesloten als de overleden werknemer geen pensioenaanspraken uit hoofde van de dienstbetrekking zou hebben gehad. Hoewel de hoogte van de uitkering niet overeenkwam met de waarde van de door de samenlevingspartner geclaimde pensioenaanspraak, vond de rechtbank aannemelijk dat het pensioenfonds zich bij de onderhandelingen over de vaststellingsovereenkomst mede heeft laten leiden door haar inschatting van de kansen in de civiele procedure. De rechtbank was van oordeel dat de uitkering haar grond vond in de dienstbetrekking van de overleden werknemer en als daaruit genoten moest worden aangemerkt. Dat betekende dat het pensioenfonds terecht loonheffing heeft ingehouden op de uitkering. In hoger beroep heeft Hof Amsterdam het oordeel van de rechtbank onderschreven. 

Conceptwetsvoorstel wijziging aandelenoptierechten

Conceptwetsvoorstel wijziging aandelenoptierechten

De staatssecretaris van Financiën heeft een wetsvoorstel tot aanpassing van de fiscale regeling voor aandelenoptierechten ter consultatie gepubliceerd. Doel van de aanpassing is om het aantrekkelijker te maken om aandelenoptierechten als loon te verstrekken aan werknemers. Het heffingsmoment wordt in beginsel verschoven van uitoefening van een aandelenoptierecht naar het moment waarop de verkregen aandelen verhandelbaar zijn. Als loon wordt de waarde in het economische verkeer van de aandelen op dat moment in aanmerking genomen. Om langdurig uitstel van heffing te voorkomen wordt het heffingsmoment tot maximaal vijf jaar na beursgang van de vennootschap waarin de aandelen worden gehouden uitgesteld. Als de vennootschap bij de uitoefening van het aandelenoptierecht al beursgenoteerd is, wordt het heffingsmoment tot maximaal vijf jaar na de uitoefening uitgesteld. Het loon wordt dan gesteld op de waarde in het economische verkeer van de aandelen op dat moment.

De werknemer krijgt de keuze om al bij de uitoefening van het optierecht loonbelasting te betalen als de aandelen niet direct verhandelbaar zijn.

Als de verkregen aandelen direct verhandelbaar zijn, wordt de waarde in het economische verkeer van de verkregen aandelen als loon in aanmerking genomen. Voor die gevallen wijzigt er in wezen niets.

Per 1 januari 2018 geldt voor start-ups met een S&O-startersverklaring een tegemoetkoming waardoor onder voorwaarden en tot een bepaald maximum slechts 75% van het genoten loon ter zake van een aandelenoptierecht in aanmerking wordt genomen. In de praktijk wordt niet of nauwelijks gebruikgemaakt van deze regeling. Deze niet-toereikend gebleken tegemoetkoming komt per 1 januari 2022 te vervallen en wordt vervangen door de voorgestelde regeling.

Het bestaande heffingsmoment van vervreemding van een aandelenoptierecht blijft bestaan.

BIK vervalt met terugwerkende kracht

BIK vervalt met terugwerkende kracht

De Baangerelateerde Investeringskorting (BIK) wordt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2021 ingetrokken. De BIK is daarmee per saldo niet ingevoerd. De aanleiding is dat de Europese Commissie de regeling mogelijk ziet als een vorm van ongeoorloofde staatssteun. Om het budget dat voor de BIK was uitgetrokken toch aan het bedrijfsleven ten goede te laten komen stelt het kabinet voor om de premie voor het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) te verlagen, waarschijnlijk per 1 augustus 2021.

Voor intrekking van de BIK is een wetswijziging nodig. Het kabinet heeft een daartoe strekkend wetsvoorstel aan de Raad van State voor advies aangeboden. Daarna zal het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk aan het parlement worden voorgelegd.

Wijziging uitruil overwerkbeloning

Wijziging uitruil overwerkbeloning

Een uitzendbureau, dat actief was in de vleessector, hanteerde de cao voor de vleessector voor het personeel. Op grond van deze cao geldt een cafetariaregeling, waarbinnen overwerkbeloningen kunnen worden geruild tegen vrije vergoedingen of verstrekkingen in verband met extraterritoriale kosten. Het uitzendbureau paste deze regeling toe. Bij de berekening van de maximale uitruil van overwerkloon over 2018 werd uitgegaan van de regelgeving voor het wettelijk minimumloon, zoals die gold tot 2018. Hierdoor daalde het brutoloon van de werknemers tot onder het wettelijk minimumloon. Het uitzendbureau maakte voor al haar werknemers nieuwe loonberekeningen over het jaar 2018 waarbij wel werd voldaan aan de regels van het wettelijk minimumloon. De herrekening had tot gevolg dat het uitzendbureau meer loonheffingen over 2018 verschuldigd was.

Het uitzendbureau maakte bezwaar tegen de extra afgedragen loonheffingen. Volgens het uitzendbureau moest worden uitgegaan van de oorspronkelijke afdracht, die was gebaseerd op een groter bedrag aan vrijgestelde vergoedingen. De bepalingen van de Wet minimumloon en minimumvakantietoeslag zijn volgens het uitzendbureau niet van belang voor de loonheffingen.

Naar het oordeel van Hof Arnhem-Leeuwarden moet voor de berekening van de loonheffingen worden aangesloten bij de uiteindelijke feitelijke uitruil van overwerkbeloning. Die gecorrigeerde uitruil is verwerkt in de loonstroken en in de aangifte loonheffingen.

Gebruikelijk loon lager dan minimumloon

Gebruikelijk loon lager dan minimumloon

De Wet op de loonbelasting bepaalt dat een aanmerkelijkbelanghouder voor zijn werkzaamheden een gebruikelijk loon geniet. Het gebruikelijk loon bedroeg in de jaren 2018 en 2019 in beginsel € 45.000 per jaar, tenzij aannemelijk is dat in het economische verkeer een lager loon gebruikelijk is.

Volgens de Belastingdienst moest voor de dga van een in 2018 opgerichte bv het gebruikelijk loon voor 2019 op het wettelijk minimumloon worden gesteld. Door het bestaan van een arbeidsovereenkomst kon het loon niet lager worden vastgesteld dan het wettelijk minimumloon op basis van de gewerkte uren. De omzet van de bv over het verlengde boekjaar 2018 tot en met 31 december 2019 bedroeg € 13.600. De kosten over deze periode bedroegen € 9.442. Volgens de arbeidsovereenkomst bedroeg het loon van de dga € 3.750 bruto per maand. Het ontbrak de bv aan financiële middelen om het loon aan de dga uit te keren.

Volgens de rechtbank Gelderland kan nog steeds een beroep worden gedaan op een in een ingetrokken besluit van de staatssecretaris van Financiën opgenomen verzachting van de gebruikelijkloonregeling. Een lager dan een gebruikelijk loon is acceptabel als de continuïteit van de vennootschap in gevaar komt bij het uitbetalen van een gebruikelijk loon. De rechtbank vond aannemelijk gemaakt dat de bv in 2019 niet over de financiële middelen beschikte om het gebruikelijk loon uit te betalen. De bv is in 2018 opgericht met een geplaatst kapitaal van € 1.000. Het resultaat over het boekjaar 2018/2019 was negatief. De rechtbank stelde het gebruikelijk loon voor het boekjaar 2018/2019 vast op het in 2018 verloonde bedrag van € 11.250. Dat had tot gevolg dat de rechtbank de naheffingsaanslag 2019 verminderde tot nihil.

Volgens de rechtbank doet het vasthouden aan het minimumloon als ondergrens voor het gebruikelijk loon in dit geval geen recht aan de realiteit.

Drempelvrijstelling RVU

Drempelvrijstelling RVU

Als uitvloeisel van de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen is met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2021 in de Wet op de loonbelasting een drempelvrijstelling voor regelingen voor vervroegde uittreding (RVU) opgenomen. De vrijstelling geldt voor uitkeringen tot een bedrag gelijk aan het gebruteerde netto-ouderdomspensioen per maand volgens de Algemene Ouderdomswet. In verband met de indexeringsvoorschriften is het aanvankelijk in de wet opgenomen bedrag van € 1.767 vervangen door € 1.847.