Nieuw GLB: mogelijk uitstel twee voorwaarden

Nieuw GLB: mogelijk uitstel twee voorwaarden

Op verzoek van de EU-lidstaten stelt de Europese Commissie een tijdelijke afwijking (derogatie) voor van de regels inzake de vruchtwisseling (GLMC 7) en niet productief areaal en landschapselementen (GLMC 8) in het nieuwe Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). Nederland staat hier positief tegenover, maar moet nog een besluit nemen hoe zij dit gaat invullen. GLMC’s zijn EU-normen die gunstig zijn voor klimaat en milieu – ook wel conditionaliteit genoemd – waaraan alle landbouwers die GLB-betalingen (zoals basispremie en eco-premie) ontvangen, moeten voldoen.

Het mondiale voedselsysteem is geconfronteerd met grote risico’s en onzekerheden die met name voortvloeien uit de oorlog in Oekraïne, waardoor in de nabije toekomst ook problemen met de voedselzekerheid kunnen ontstaan. De afwijking zou in de EU tot 1,5 miljoen hectare meer in productie moeten leiden.

Gezien het belang van deze GLMC-normen (goede landbouw- en milieuomstandigheden) voor de doelstellingen om het bodempotentieel in stand te houden en de biodiversiteit op het landbouwbedrijf te verbeteren als onderdeel van de duurzaamheid van de sector op lange termijn en om het voedselproductiepotentieel in stand te houden, geldt de afwijking alleen in 2023. De afwijking wordt verder beperkt tot wat strikt noodzakelijk is om de wereldwijde voedselzekerheidsproblemen als gevolg van de oorlog in Oekraïne aan te pakken. De afwijking geldt alleen voor de teelt van gewassen, die gebruikt worden voor humane voedselproductie. Maïs en soja zijn daarom uitgesloten.

Stand van zaken nieuw GLB

Stand van zaken nieuw GLB

De minister van LNV schrijft in een kamerbrief dat de definitieve indiening van het aangepaste Nationaal Strategisch Plan (NSP), de Nederlandse invulling van het nieuwe Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GLB), mogelijk pas in september haalbaar is.

De minister heeft inmiddels met de provincies en de waterschappen overeenstemming bereikt over een aantal wijzigingen in het NSP. Het indienen van het definitieve NSP zal naar verwachting meer tijd vergen, gezien de verwevenheid met andere trajecten en het benodigde detailniveau. De Europese Commissie heeft in gesprekken aangegeven meer inzicht te willen krijgen in de nationale maatregelen die Nederland voor de landbouw voorziet en de samenhang ervan met het GLB, zoals de link met het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG). De goedkeuring van het NSP is daarmee ook mede afhankelijk van andere dossiers zoals het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn, de derogatie en het nationale beleid. De minister streeft er nog steeds naar om in de zomer op hoofdlijnen van het NSP overeenstemming te bereiken met de Commissie. 

De verwerking van de uitkomsten van de onderhandeling en de technische details in het plan zal naar verwachting echter meer tijd in beslag nemen. Nadat deze verwerking heeft plaatsgevonden zal de Commissie, voorafgaand aan de definitieve indiening, de aanpassingen nog beoordelen. Daardoor bestaat meer zekerheid dat de Commissie het plan zal goedkeuren. De definitieve indiening van het aangepaste NSP zal daarom mogelijk pas in september haalbaar zijn. De formele goedkeuring van de Commissie zal daarna nog een aantal weken in beslag nemen.

Gezien dat het nieuwe GLB reeds op 1 januari 2023 ingaat, de regelgeving complex is en dat er dit jaar al keuzes gemaakt moeten worden, is het raadzaam tijdig informatie in te winnen en te bekijken hoe het nieuwe GLB op uw bedrijf inpasbaar is.

Wijziging pachtnormen per 1 juli 2022

Wijziging pachtnormen per 1 juli 2022

Jaarlijks worden de hoogst toelaatbare pachtprijzen voor akkerbouw- en grasland, tuinland, agrarische gebouwen en agrarische woningen vastgesteld. Onlangs zijn de pachtprijzen gepubliceerd, welke op 1 juli 2022 van kracht worden.

Los bouw- en grasland

De nieuwe pachtnormen 2022 voor los bouw- en grasland zijn gebaseerd op de bedrijfsresultaten van grote en middelgrote akkerbouw- en melkveebedrijven in de periode 2016 tot en met 2020, de pachtnormen 2021 op basis van de jaren 2015 tot en met 2019. 

Voor de akkerbouw was het jaar 2015 landelijk gezien een jaar met een bovengemiddeld inkomen. In de berekende grondbeloning zijn de uitkomsten van 2015 vervangen door die van 2020, waarin de akkerbouw gemiddeld een lager inkomen boekte. Maar achter deze gemiddelden gaan regionale verschillen schuil die onder meer samenhangen met productieomstandigheden, bouwplan, bedrijfsgroottestructuur en marktomstandigheden. In de melkveehouderij werd in 2020 gemiddeld een iets hoger inkomen geboekt. Ook in de melkveehouderij zijn er regionale verschillen in hoogte en ontwikkeling van het inkomen, maar minder uitgesproken dan in de akkerbouw. De pachtnormen 2022 zijn in acht van de veertien pachtprijsgebieden lager dan de pachtnormen 2021. De daling is het grootst voor het Zuidwestelijk akkerbouwgebied (23%). In zes pachtprijsgebieden zijn de pachtnormen 2022 hoger dan die van 2021. De stijging is het grootst in het Centraal veehouderijgebied (17%) en het Hollands/Utrechts weidegebied (12%).

Los tuinland

De regionorm voor los tuinland in Westelijk Holland stijgt met 13% naar € 5.094 per hectare. In de rest van Nederland stijgt de norm met 19% naar € 3.598 per hectare. 

Agrarische bedrijfsgebouwen

De hoogst toelaatbare pachtprijzen voor agrarische bedrijfsgebouwen en de pachtprijs voor bestaande overeenkomsten worden verhoogd met 2,79%, gelijk aan de gemiddelde bouwkostenindex over de periode 2017-2021.

Agrarische woningen

De maximale pachtverhoging voor agrarische woningen met pachtovereenkomsten van vóór 1 september 2007 stijgt met het percentage volgens het huurprijsbeleid woonruimte. De maximale pachtverhoging per 1 juli 2022 bedraagt 2,3% (inflatie van 1 december 2020 tot 1 december 2021).

Aanpassing pachtprijzen

De regionormen en veranderpercentages zijn van toepassing op reguliere pacht, geliberaliseerde pacht langer dan zes jaar en andere pachtvormen waarvoor pachtprijsbescherming geldt. De verpachter kan de nieuwe pachtprijs met ingang van het eerstvolgende pachtjaar na 1 juli in rekening brengen.

Aanvullende maatregelen op 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn

Aanvullende maatregelen op 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn

In november 2021 is het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn (7e AP) vastgesteld. Bij de vaststelling hiervan is opgemerkt dat de doelen voor verbetering van de grondwaterkwaliteit op termijn worden behaald in bijna alle gebieden, behalve het lössgebied. Voor de doelen ten aanzien van de oppervlaktewaterkwaliteit van de Nitraatrichtlijn en de landbouwopgave van de Kaderrichtlijn Water, zijn aanvullende maatregelen nodig. 

Over de aanvullende maatregelen zijn gesprekken gevoerd met de Europese Commissie, die hebben geleid tot een addendum op het 7e AP. De Europese commissaris van Milieu heeft laten weten dat daarmee de derogatieaanvraag deze maand in het Nitraatcomité behandeld kan worden. De besluitvorming volgt op een (veel) later moment. Het kabinet houdt er rekening mee dat als derogatie verleend wordt, hieraan aanvullende eisen, voorwaarden en/of beperkingen worden gesteld.

Extensivering landbouw
Het kabinet wil de landbouw extensiveren door opkoop van bedrijven en afwaardering van gronden. Dit richt zich niet alleen op de veehouderij, maar ook op akker- en tuinbouwbedrijven op uitspoelingsgevoelige gronden. Gedwongen opkoop is daarbij een mogelijkheid. De veehouderij zal hiermee naar verwachting met meer dan 30% krimpen. Deze afname zal een grote verlichting geven op de mestmarkt, waarmee ook de fraudedruk kan verminderen, met name als dit gericht wordt op de gebieden met de grootste veedichtheid (Noord-Brabant, het noorden van Limburg en Gelderse vallei).

Verlaging mestproductieplafonds
De mestproductieplafonds zullen naar beneden worden bijgesteld, om te voorkomen dat de ruimte die door de opkoop van bedrijven zal ontstaan opnieuw wordt ingevuld.

Grondgebondenheid melkveehouderij
De melkveehouderij zal uiterlijk in 2032 volledig grondgebonden moeten zijn, waarbij ook een aanzienlijk areaal (deels permanent) grasland hoort. De komende maanden zal deze koppeling tussen grondgebondenheid en het aandeel (permanent) grasland dat een melkvee- of rundvleesveebedrijf (zoog- en weidekoeien) moet hebben, nader uitgewerkt worden. Vervolgens zal in de tweede helft van dit jaar een wetsvoorstel ter consultatie worden gelegd.

Brede beekdalen
Het kabinet wil in beekdalen in de zandgebieden van Centraal Nederland, Oost-Nederland en Zuid-Nederland bufferzones van 100 tot 250 meter inrichten. In die zones zal overgegaan worden op natuurinclusief graslandbeheer met het uitmijnen van nutriënten. De grond wordt eventueel opgekocht en verpacht, dan wel verkocht aan beherende partijen ten behoeve van bijvoorbeeld natuurgrond of natuurinclusief grasland met uitmijnregime. Het kabinet wil per 2027 de bestemmingsplannen voor deze gebieden laten wijzigen, waarmee de verplichting tot bijvoorbeeld natuurgrond of natuurinclusief grasland met extensieve begrazing wordt vastgelegd. De bijbehorende afwaardering van de grond voor de landbouw wordt gecompenseerd.

Plaatselijke maatregelen
Voor specifieke grondsoorten worden nog aanvullende maatregelen genomen. Voor zand- en lössgronden kan het, zoals eerder aangekondigd, gaan om teeltverboden voor uitspoelingsgevoelige gewassen. Voor alle grondsoorten kan het verder gaan om de volgende maatregelen: uitmijnen van fosfaat, verschralen van de bodem (alleen afvoer gewas), multifunctionele bufferstroken, zuiveren van drainagewater (ijzerzand of houtsnippers), zuivering van oppervlaktewater (zuiveringsmoerassen) en verminderen van oppervlakkige afstroming.

Nationaal Programma Landelijk Gebied
Het kabinet wil komen tot een integrale aanpak van de drie internationale opgaven ten aanzien van natuur (stikstof), klimaat en water: het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG). De stikstofaanpak wordt in mei van dit jaar gepubliceerd ten behoeve van een inspraakprocedure, zodat deze in de tweede helft van het jaar vastgesteld kan worden en in werking kan treden. De gebiedsplannen vanuit het NPLG moeten volgend voorjaar klaar zijn.

Extra betaling jonge landbouwers terecht afgewezen

Extra betaling jonge landbouwers terecht afgewezen

Een landbouwer exploiteerde tot 2020 zijn landbouwbedrijf als eenmanszaak. In de jaren 2015 tot 2019 ontving hij jaarlijks de extra hectarebetaling voor jonge landbouwers, welke betaling maximaal vijf jaar wordt verstrekt aan een jonge landbouwer. Per 1 januari 2020 ging hij een vennootschap onder firma (VOF) aan met zijn echtgenote. In de Gecombineerde opgave 2020 verzocht de VOF opnieuw om de extra betaling voor jonge landbouwers, waarbij nu de echtgenote werd opgegeven als jonge landbouwer. RVO.nl wees de extra betaling echter af, waarna de VOF beroep instelde bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Het College oordeelde dat het landbouwbedrijf zelf niet gewijzigd was bij de inbreng in de VOF. Wel was de rechtsvorm van het landbouwbedrijf gewijzigd. RVO.nl had om die reden het bedrijf dat thans gevoerd wordt onder de VOF niet als nieuw opgericht landbouwbedrijf aangemerkt, maar als een voortzetting van een bestaand bedrijf in een andere rechtsvorm. RVO.nl had onder meer erop gewezen dat alle eenheden van het bedrijf waren overgegaan, dat het bedrijf hetzelfde rekeningnummer had en dezelfde oprichtingsdatum. Het College was daarom met RVO.nl van oordeel dat geen sprake was van oprichting van een landbouwbedrijf door de VOF, maar van de voortzetting van het bestaande bedrijf van de landbouwer. Dat de VOF per 1 januari 2020 was ingeschreven in het handelsregister en een KvK-nummer had verkregen, en dat RVO.nl een nieuw relatienummer aan de VOF had toegekend, was onvoldoende om te oordelen dat – ondanks de hiervoor vermelde, ongewijzigde factoren – sprake was van oprichting van een landbouwbedrijf.

Nu de periode van vijf jaar na de oprichting van het bedrijf al was verlopen, heeft RVO.nl terecht de extra betaling voor jonge landbouwers voor het jaar 2020 geweigerd.

Aanmelden stikstofdifferentiatie

Aanmelden stikstofdifferentiatie

Agrarische ondernemers, die de afgelopen drie jaar bovengemiddelde opbrengsten hadden met suikerbieten, fritesaardappelen, tarwe of gerst op klei, mogen onder voorwaarden extra stikstof gebruiken. De genoemde gewassen moeten zelf of via een gespecialiseerd sorteerbedrijf aan de verwerkende industrie geleverd worden. Zij maakt van de tarwe en gerst producten voor menselijke of dierlijke consumptie en van suikerbieten of fritesaardappelen producten voor menselijke consumptie. Een bovengemiddelde opbrengst betekent voor wintertarwe en -gerst een opbrengst van meer dan 9 ton, voor zomertarwe meer dan 8 ton, voor zomergerst meer dan 7 ton, voor suikerbieten meer dan 75 ton en voor aardappelen meer dan 50 ton, dit alles per hectare.

Aanmelding is mogelijk tot en met 15 mei. Alle relevante gegevens moeten minimaal vijf jaar bewaard worden.